Stofwisseling, opslag en uitscheiding

De verschillende stoffen die zich in ons lichaam bevinden, worden voortdurend veranderd in andere stoffen. Dit proces noemen we stofwisseling. Met stofwisseling bedoelen we het geheel van omzettingen (veranderingen) die stoffen binnen het lichaam ondergaan. De voedingsstoffen die nodig zijn worden via de voeding opgenomen, terwijl de afvalstoffen die hierbij ontstaan aan de omringende weefsels worden afgegeven.

Voedingsstoffen die via de voeding worden opgenomen in het sijsverteringstelsel, passeren de darmwand om zo vervolgens via de poortader terecht te komen in de lever. In de lever vinden vele omzettingen plaats. Zo speelt de lever een belangrijke rol bij de afbraak van lichaamsvreemde stoffen zoals medicijnen en alcohol. Verder is de lever betrokken bij de opslag van koolhydraten.

Aan de bovenzijde van de lever treedt de leverader naar buiten. Het bloed van de leverader bevat allerlei afbraakproducten en voedingsstoffen. De voedingsstoffen zullen via het bloedvatenstelsel de afzonderlijke lichaamscellen bereiken waarna de afvalstoffen via de bloedsomloop worden weggevoerd naar de uitscheidingsorganen (koolstofdioxide verlaat het lichaam via de longen, overige afvalstoffen die opgelost zijn in water verlaten het lichaam onder andere via de nieren en de urinewegen).

Stofwisseling

Eiwitstofwisseling

De eiwitten die in het lichaam voorkomen zijn samengesteld uit allerlei soorten aminozuren. Verschillende aminozuren die het lichaam nodig heeft voor de eiwitsynthese variëren in hoeveelheden. Van een aantal aminozuren zal het lichaam in verhouding meer nodig hebben dan van andere aminozuren.

Uit onze voeding halen we de aminozuren en daar waar we een teveel aan aminozuren binnenkrijgen, zal de lever deze aminozuren omzetten in aminozuren waar een tekort aan is. Dit proces noemen transaminering. Een aantal aminozuren kan echter niet in de lever worden omgezet en gemaakt, dit zijn de zogenaamde essentiële aminozuren. Daarom is het belangrijk dat we deze uit onze voeding halen.

Eiwitten kunnen niet in het lichaam worden opgeslagen. Om deze reden worden overtollige aminozuren, die het lichaam niet nodig heeft voor de opbouw van lichaamseiwitten, in de lever ontdaan van hun aminogroep, waarbij ketozuren en ammoniak ontstaan. Dit proces noemen we deaminering. Ammoniak is schadelijk voor het lichaam en wordt daarom omgezet in ureum dat het lichaam verlaat via de nieren en zweetklieren.

Koolhydraatstofwisseling

Bij de spijsvertering worden koolhydraten vooral omgezet en glucose. Tijdens een koolhydraatrijke maaltijd zullen veel glucosemoleculen de darmwand passeren en in het bloed terecht komen. Wanneer het glucosegehalte in het bloed hoger is dan 0,1% wordt glucose in de lever met behulp van insuline omgezet in glycogeen dat onoplosbaar is in het bloed. Glycogeen bestaat uit een groot aantal aan elkaar geschakelde glucosemoleculen. Wanneer door lichamelijke arbeid het glucosegehalte in het bloed daalt, kan het leverglycogeen met behulp van glucagon weer worden omgezet in glucose, totdat het percentage van 0,1% in het bloed weer is bereikt.

Vetstofwisseling

In de dunne darmen worden glycerol en vetzuren geresorbeerd om vervolgens omgezet te kunnen worden in allerlei vetten. Vervolgens kunnen deze stoffen in de lever dan weer naar behoefte omgezet worden in andere vetten. De lever kan ook nieuwe vetten aanmaken uit koolhydraten en eiwitten. Een aantal onverzadigde vetzuren kan echter niet in de lever worden geassimileerd. Dit noemen we essentiële vetzuren die voornamelijk voor komen in plantaardige vetten zoals olijfolie, avocado olie, zonnebloemolie en maïsolie.

Een teveel aan vetten wordt opgeslagen in het onderhuids bindweefsel. Daarnaast worden vetten ook opgeslagen in het gele beenmerg van de pijpbeenderen. Deze opgeslagen vetten dienen als reservevoedsel in tijden van tekorten. Vetten worden ook gebruikt bij de synthese van koolhydraten en aminozuren.